Partij van de Arbeid HG

uw lokale partij als het er echt om gaat

WAT TE DOEN IN DE SOCIALE WONINGBOUW?

 

21 mei 2018

 

Onze werkgroep huurders van de PvdA boog zich deze week over die vraag. Wat is er aan de hand en wat moet er gebeuren?

Ik zie als onproductieve reflex dat veel partijgenoten op details duiken en daarover het debat aan gaan. Daardoor blijven de fundamentele dingen buiten beeld. Van daar dat ik nog een poging waag: ik heb bijna mijn leven aan de sociale woningbouw gewijd, dus het onderwerp prikkelt altijd.

Wat is er aan de hand?

De situatie op de woningmarkt kan alleen maar als rampzalig worden gekwalificeerd: voor starters, voor woningzoekenden met een beperkt inkomen, voor vluchtelingen en asielzoekers. Dat zijn precies de groepen waarvoor de PvdA zegt op te komen.

Het tekort aan betaalbare woningen en de immense prijsstijgingen op de koopmarkt vormen een wrange afrekening voor het jarenlang drijven richting geliberaliseerde woningmarkt. Ook de PvdA heeft daar aan deelgenomen en de vijf miljoen huurders in de sociale sector hebben dat als weinig minder dan verraad ervaren.

De bijdrage van de coalitie Rutte-Samsom was daarvan een sluitstuk, maar de straf voor het werk van Monasch kwam sterk bij de PvdA terecht. De zelfvoldaanheid van Blok en Pechtold over de herstructurering van het beleid op de woningmarkt was bijna niet te verdragen. De heren hadden niet helemaal begrepen dat de varkenscyclus op de woningmarkt oorzaken heeft die niet met kleine Haagse maatregeltjes te verhelpen zijn. Blok is de slechtste minister volkshuisvesting, die we ooit hadden. Hopelijk doet zijn stijl het beter op afstand van Nederland.

De laatste decennia zijn het scheppen van ruimte voor de markt en privatisering, een lijn die door Staatssecretaris Heerma is ingezet, maar die niet goed is afgemaakt. Met marktprocessen en private instellingen, is veel goeds te bereiken, mits de overheid een scherpe sturingsambitie toont. Het is immers voor de meeste beschouwers helder: de markt is niet het mechanisme dat bij uitstek eerlijkheid en rechtvaardigheid produceert. Als dat een doelstelling is, dan moet de markt door normering en kaders worden getemd.

De PvdA is nu een kleinere partij, maar partners voor een hernieuwde visie en een hernieuwd beleid zijn er voor de sociale huisvesting voldoende te vinden: de Socialistische Partij, Groen Links, mogelijk ook 50 plus en D66, wellicht zelfs het CDA.

Wat wel zal moeten is dat we een nieuwe taal, nieuwe beelden zullen moeten ontwikkelen om partners te overtuigen en hun denken te prikkelen.

Een handvol noties

Wat er precies aan de orde is, is aan elke borreltafel te horen. Maar het probleem van de details van hierboven dringt zich op; iedereen etaleert zijn gelijk en er gebeurt niets. We zullen dus een aantal onderwerpen scherper moeten benoemen.

Nationaal beleid en gemeenten

Het eerste probleem is de verhouding tussen nationaal beleid en gemeentelijk beleid. Wat is het beleid, waarvan we iets moeten vinden? Het gaat om voldoende woonruimte (productie), de prijs van die woonruimte (huurprijsbeleid/fiscaliteit, grondbeleid), bescherming van de zwakke partijen (huurwetgeving, toezicht, kwaliteitsbeleid).

Dat is nogal veel: het is niet zo vreemd dat de VNG er niet veel aan heeft gedaan. De gemeenten hebben na de crisis veel geld verloren op hun grondposities, sommige gemeenten zijn daar nog niet overheen. (Nijmegen)

Toch is het een standaard uitspraak te zeggen dat de tekorten specifiek en regionaal zijn en dat het goed is het beleid daarop af te stemmen. Alleen doen we dat niet of slechts in onbetekenende mate. Het noorden heeft overschotten en achterstallig onderhoud, het westen immense tekorten en meer geld beschikbaar. Maar de meeste Haagse normen zijn gelijk.

Het zou een grote vooruitgang zijn, als het Haagse micromanagement van de sociale huisvesting kon worden afgeschaft en binnen weldoordachte kaders kon worden overgedaan aan de gemeenten. De gemeente was toch de “eerste overheid”?  In het sociaal domein hebben we in de decentralisatie geen been gezien. Het was wel vooral uitvoering en niet normering, maar dat komt nog wel.

Het afscheid van de gedachte dat minimale interventies alle problemen oplossen, zou de blik kunnen richten op de langere termijn.  We doen nu ruim een eeuw sociale huisvesting en het beleid heeft ons aan de top van de “lijstjes” gebracht. Onze samenleving is redelijk egalitair, redelijk gezond, gemengd en gelukkig. Dat is in hoge mate de verdienste van de sociale huisvesting. Mogelijk moet daar nu iets in veranderen. Laten we daar dan over denken, veranderen wat nodig is en wat van waarde is vasthouden en cultiveren.

Huren en kopen

Het thema huren en kopen is al decennia aan de orde. Op de woningmarkt bestaat een “huurmarkt” en een “koopmarkt”, waarvan de voorstanders en tegenstanders de verderfelijke werking op elkaar pogen aan te tonen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw ging dat over de fiscale behandeling, de hypotheekrenteaftrek en de huursubsidie, terwijl nu vooral theorie over marktfalen aan de orde is. Het is de gesubsidieerde woningbouw, die een oneerlijk speelveld schept voor commerciële partijen, zo is zelfs in de hersens van Brusselse ambtenaren doorgedrongen en dat moeten de EU lidstaten vermijden.

Inmiddels is het H-woord aangevat en is de kritiek op ons hypotheekbeleid in die zin aangescherpt, dat het voorstarters steeds moeilijk wordt een eerste woning te verwerven.

Het effect van een lagere rente voor hypotheken, is te vinden in een CPB/PBL studie.

Mijn wrange conclusie is dat Blok tevreden kan zijn: het risico voor huurders is tijdens zijn bewind drie maal groter geworden dan voor eigenaren. Dan had je maar tijdig tot kopen moeten besluiten.

Ik heb een paar congressen geleden nog eens gepoogd aandacht voor dit verschil te vragen, maar iedereen raadt het antwoord; “hierover hebben we het nu even niet”. Maar is de verhouding tussen huur en koop dan niet betekenisvol? “Ja, maar we zijn nu even bezig met….”

Bouwnijverheid

Vroeger was er nog een directie “Bouwnijverheid”, maar dat de aannemer nu geen capaciteit heeft om te voldoen aan de vraag is toch echt niets bijzonders.

Dat de woningbehoefte op dit niveau zit is ook niks bijzonders: de starters zijn al 25 op aarde en in statistieken terug te vinden. Vluchtelingen en asielzoekers waren lastiger te voorspellen, maar zijn onvoldoende verklaring voor het urgente tekort.

Het beeld is dat de onevenwichtigheid van onze woonruimteproductie niet wordt doorgrond, dat het beleid dat in Den Haag en gemeenten wordt gevoerd daar geen invloed op heeft. Alle onzin met contingenten en bouwprogrammering kan beter worden gestaakt. Net als in de Vinex jaren, is er maar één dure plicht voor gemeenten: produceer woonruimte die betaalbaar is. In de Vinex tijd liepen er “aanjagers” rond, die gemeenten hielpen bij die taak. Zij keken naar gebouwen. Daar komt nu kijken naar producenten van woonruimte bij.

Wat moet er gebeuren?

De PvdA zou serieus werk moeten maken van een linkse visie op het wonen. De voorwaarde daarbij is dat die visie zo globaal moet zijn dat daarmee een brede coalitie kan worden aangesproken en gevormd.

Decentralisatie

Voor een sterke gemeente moet die ook iets te vertellen hebben. Dat betekent dat de gemeente lokaal verantwoordelijk moet zijn voor productie en prijs van woonruimte. Dat geeft ook de kans samenhangen te scheppen in het sociaal domein, die nu nog ontbreken.

De bemoeienis met huisvesting uit sociaal perspectief betekent wel dat de overheid interventies pleegt in een markt. Die interventies vragen op normering en kaders, waarbinnen de gemeenten hun verantwoordelijkheid kunnen vormgeven.

Privatisering en verzelfstandiging

In de zorgsector bestaan nogal wat normerende en toezichthoudende instellingen. Ook in de wereld der volkshuisvesting zijn er een aantal. De woningcorporaties zouden zelfstandig worden, maar zijn na Maserati’s en stoomschepen, inmiddels weer redelijk getemde huisdieren geworden. De gemeenten zouden opnieuw moeten afwegen of en met welke ‘preferred suppliers’ zij zouden willen werken. De Aw komt ongetwijfeld langs, wanneer de ambities tot investeren te zeer worden opgerekt in het lokale overleg.

Denkbaar is dat, naar model van de sectorale fondsen, een nieuwe investeringsfaciliteit wordt ontwikkeld, voor de lokale en extreme behoeften en mogelijkheden. Als de rol van de gemeente bij het opleveren van bouwrijpe grond gelijk blijft, kan mogelijk ook aan een grondfonds worden gedacht. 

Wat te doen?

Wat zou er moeten gebeuren om de verworvenheden in de sociale kwaliteit van ons land te behouden, te koesteren en uit te bouwen?

Een paar denkbeelden:

-          Er moet een sociale huursector blijven voor de laagste inkomens. Je zou wensen dat gemeenten zelf een schatting zouden maken van de wenselijke omvang van die sector (20%?+/-) en zelf de toegang tot die woningen zouden bepalen;

-          Het vereiste budget zou kunnen worden gevonden door de huurtoeslag te “bruteren” en te herverdelen onder de gemeenten die de gewenste transitie willen vormgeven;

-          Het rijk bepaalt met een puntenstelsel een gebied voor sociale huurstelling en die norm is een grondslag voor de huurbescherming, mits de gemeenten de vrijheid hebben daarin de boven en ondergrens op te zoeken, als verdelingsproblemen dat vragen;

-          Het idee van de vraag naar middenhuur lijkt me een mythe, die vooral de bedoeling heeft investeerders te lokken en marktprocessen te bevorderen; naast een sociale huursector is een beperkte sociale koopsector nodig, met gecontroleerde toegang en prijs;

-          Voor projectontwikkelaars is hierin geen plaats: zij hebben met de verkregen marktmacht vooral nieuwe schaarsten geschapen, die grote schade aan de samenleving veroorzaken;

-          Het begrip DAEB wordt afgeschaft, maar de bescherming van corporaties tegen een faillissement evenzeer;

-          Etcetera…

Ik zou willen dat de PvdA een initiatief nam voor het overleg, dat in deze richting zou bewegen. 

Tom van Doormaal, 22-04-18


Top